BIJLAGEN

Bijlage 4

Rapportage Taskforce on Climate-related  Financial Disclosures

De Task Force on Climate-related Financial ­Disclosure (TCFD), ontwikkeld door de Financial Stability Board, is een verslagleggingsstandaard voor organisaties waarmee zij verantwoording kunnen afleggen over klimaatrisico’s. De TCFD vraagt van aandeelhouders om ten aanzien van de governance, de strategie, risicobeheer, kerncijfers en doelstellingen te rapporteren over ­klimaatrisico’s. Al deze elementen zijn onderdeel van de TCFD-rapportage van PME, die wij voor het zesde opeenvolgende jaar publiceren als ­bijlage van het jaarverslag.

De opzet van de TCFD-rapportage is op de volgende punten gewijzigd ten opzichte van vorige jaren:

  • De definitie van klimaatrisico’s die we hanteren is uitgebreid, zodat hier ook niet-financiële klimaatrisico’s onder vallen.
  • Er zijn aanpassingen gemaakt om de rapportage beter aan te laten sluiten bij het klimaatplan van PME, namelijk:

In het hoofdstuk “Doelstellingen, maatstaven en resultaten” wordt nu per beleggingscategorie inzicht gegeven in de klimaatdoelstellingen die gezet zijn en maatstaven die gebruikt worden om de klimaatprestaties van de beleggingen te meten. Er wordt een toelichting gegeven op de gemaakte voortgang in het afgelopen jaar.

Governance, bestuurlijk overzicht

Het bestuur van PME bepaalt de strategie op het gebied van klimaatrisico’s en -kansen, stelt klimaatdoelen en ambities vast en evalueert deze. Het bestuur besluit ook over de maatregelen die worden genomen om klimaatrisico’s te beheersen en bij te dragen aan een reductie van de uitstoot van CO₂. Het bestuur wordt hierin ondersteund en strategisch geadviseerd door een team van specialisten binnen het bestuursbureau van PME, waaronder twee strategen verantwoord beleggen. Het bestuur van PME laat zich op het gebied van klimaatgerelateerde zaken, waaronder het Klimaatplan van PME, adviseren door de commissie balans- en vermogensbeheer waarna het vervolgens overgaat tot besluitvorming.

Het uitvoerend bestuur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de strategie. Het bestuur en de commissie balans- en vermogensbeheer van PME bespreken de bijdrage die PME levert aan het beperken van klimaatverandering en de klimaatrisico’s en -kansen voor PME aan de hand van de kwartaalrapportages maatschappelijk verantwoord beleggen (MVB) en de (evaluatie van) strategieën van beleggingscategorieën waarin klimaat als vast onderdeel is mee­genomen. Daarnaast heeft PME verschillende processen ingericht, zoals de Eigen Risico Beoordeling (ERB) en de Risk Self Assessment (RSA) ­Klimaat, om de blootstelling aan klimaatrisico’s binnen het vermogensbeheer en de eigen ­organisatie in kaart te brengen.

Het fiduciaire beheer van de beleggingsportefeuille van PME is de ondergebracht bij uit­voeringsorganisatie MN (MN). De directeur vermogensbeheer van MN draagt hierbij de laatste verantwoordelijkheid. Een multidisciplinaire expertwerkgroep op het gebied van klimaat werkt aan de uitvoering van de CO₂-reductiedoelstelling en klimaatplannen van PME. Deze expertwerkgroep bestaat uit vertegenwoordigers uit de verschillende gremia van de investeringsketen.

Strategie

PME ziet vanuit twee invalshoeken aanleiding om rekening te houden met klimaatverandering in de portefeuille; vanuit de wens om financiële risico’s te beperken en vanuit de wens om bij te dragen aan een leefbare wereld.

PME ziet twee typen financiële klimaatrisico’s; transitierisico’s en fysieke klimaatrisico’s:

Transitierisico’s hangen vooral samen met de gevolgen van een stringenter klimaatbeleid, wat nodig is om de doelstellingen van het Parijsakkoord te kunnen behalen. Kosten voor bedrijven kunnen bijvoorbeeld oplopen als gevolg van hogere CO₂-belastingen en investeringen gerelateerd aan fossiele brandstoffen dienen mogelijk vervroegd te worden afgeschreven indien wordt overgestapt op schone energiebronnen.

Fysieke risico’s hangen samen met de gevolgen van een temperatuurstijging op aarde. De financiële prestaties van organisaties worden bij­voorbeeld beïnvloed door veranderingen in de beschikbaarheid en kwaliteit van water, ­voedselveiligheid en extreme temperatuur­veranderingen.

De risico’s verschillen per beleggingscategorie, afhankelijk van bijvoorbeeld het risicoprofiel van beleggingscategorieën, de regio-exposure en sector-exposure. Voor bedrijven die goed voorbereid zijn op de energietransitie en producten aanbieden waar in nieuwe klimaatscenario’s meer vraag naar ontstaat, kunnen juist kansen ontstaan.

Daarnaast ziet PME ook klimaatrisico’s die niet alleen financieel zijn, zoals risico’s op een afnemend draagvlak onder deelnemers en werkgevers, operationele risico’s en compliance gerelateerde risico’s. Deze kunnen ontstaan als het beeld ontstaat dat PME te weinig doet om bij te dragen aan het beperken van klimaat­verandering.

Strategievorming

Strategievorming begint bij het strategisch beleggingskader. In het strategisch beleggingskader van PME staan de beleggings-, uitvoerings- en risicomanagementbeginselen, waar­onder beginselen (investment beliefs) die een basis vormen om rekening te houden met de invloed van beleggingskeuzes op de wereld en de invloed van de risico’s van een veranderende wereld op de beleggingen van PME. Daarnaast heeft PME op basis van o.a. deze beginselen, de voorkeuren van deelnemers en informatie over de klimaatimpact van de beleggingen, klimaatdoelstellingen geformuleerd. De beginselen en de klimaatdoelstellingen vormen de basis voor de uitwerking van beleggingsstrategieën.

In lijn met beginselen en klimaatdoelstellingen zijn in de strategieën voor

de verschillende beleggingsproducten maatregelen geïntroduceerd met als doel klimaatrisico’s voor de portefeuille te beperken en klimaatverandering tegen te gaan. In vier stappen in het beleggingsproces kunnen maatregelen genomen worden om de portefeuille passend te maken bij PME:

  1. Uitsluiting en selectie: door bepaalde ­beleggingen niet op te nemen of juist wel te selecteren
  2. Portefeuilleconstructie: door de weging van beleggingen aan te passen
  3. Richtlijnen aan de beheerder: door managers specifieke richtlijnen mee te geven voor het beheer van de portefeuille, en te selecteren en monitoren op basis van o.a. hun ESG beleid
  4. Betrokken/actief aandeelhouderschap: door invloed uit te oefenen op de beleggingen ­middels het engagement en stembeleid

Welke instrumenten er worden ingezet en in welke mate is afhankelijk van de kenmerken van de beleggingen en verschilt per beleggingscategorie. De klimaatdoelstellingen, de acties die wij nemen om bij te dragen aan het beperken van klimaatverandering en de verdere stappen die we in de komende periode willen nemen worden beschreven in het klimaatplan. Afhankelijk van o.a. de voortgang op klimaatdoelstellingen en de mogelijkheden om gebruik te maken van betere data wordt periodiek onderzocht of deze aan­gescherpt kunnen worden. Kwalitatief goede informatie stelt ons in staat om de instrumenten die we tot onze beschikking hebben, zoals engagement, screenings en impactinvesteringen, effectief in te zetten. Daarom vormt doorontwikkeling op het gebied van data, in het bijzonder het meten van de mate van alignment van investeringen met een 1,5 graden pad, een belangrijk onderdeel van de klimaatplannen van PME. Met andere woorden: we willen beter inzicht krijgen in welke mate de bedrijven, vastgoedobjecten en overheden waarin we investeren een voldoende grote bijdrage leveren aan het behalen van de doelstellingen van het Parijsakkoord. Methoden hiervoor zijn nog in ontwikkeling. We meten dit nu waar mogelijk op basis van data van het Transition Pathway Initiative voor de aandelen- en bedrijfsobligatieportefeuilles, waarbij waar mogelijk de paden gebruikt worden die passen bij het IEA Net Zero 2050 scenario1. Voor de vastgoedportefeuille wordt gebruik gemaakt van de CRREM-methodiek2

De maatregelen die uiteengezet worden in het klimaatplan helpen doorgaans niet alleen om bij te dragen aan het beperken van klimaatveran­dering, maar helpen ook om transitierisico’s te beperken. Immers, als bedrijven en andere actoren hun beleid in lijn brengen met een 1,5 graden pad, zullen zij ook in mindere mate geraakt worden door maatregelen die genomen worden om de energietransitie te bevorderen.

Weerbaarheid strategie in verschillende klimaatscenario’s

PME voert verschillende typen scenario analyses uit met als doel het inzicht in de klimaatrisico’s te vergroten. In 2021 heeft PME als onderdeel van de ALM-studie de feitelijke portefeuille en de SAA 2025 getoetst op drie klimaatscenario’s. Doel van het onderzoek was inzichtelijk maken wat het effect van klimaatverandering is op het risico-rendementsprofiel van de totale beleggingsportefeuille. Ortec-Finance concludeert in deze studie dat de SAA 2025 op korte en middellange termijn meer bescherming biedt tegen klimaatverandering dan de feitelijke portefeuille. Beide portefeuilles leiden echter op lange termijn, ongeacht het klimaatscenario, tot dekkingsgraden boven de 150% nominaal.

Naast de ALM-studie wordt periodiek de weerbaarheid van de portefeuille in kaart gebracht aan de hand van de EIOPA-stresstest en op basis van de data van MSCI.

Klimaatrisico’s op basis van de EIOPA-stress­test

In 2022 heeft PME deelgenomen aan het verplichte en het vrijwillige deel van de European Insurance and Occupational Pensions Authority-stresstest (EIOPA stresstest). Het doel van deze stresstest is om de weerbaarheid tegen ­klimaatrisico’s te onderzoeken. Voor deze stresstest is een NGFS3 scenario gebruikt waarin maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan vertraagd geïmplementeerd worden, waardoor een economische schok ontstaat en transitierisico’s groot zijn. Dit scenario is vertaald naar directe eenmalige aandelen- en renteschokken. Voor de verplichte test zijn deze schokken voor de gehele portefeuille gedefinieerd en doorgerekend. Daarnaast is in het vrijwillige deel voor de utilities sector (nutsbedrijven) een extra doorrekening gedaan op basis van een meer verfijnde methodiek. Dit is gedaan omdat voor bedrijven in deze sector de transitierisico’s naar verwachting sterk samenhangen met het type activiteiten waar het bedrijf zich op richt. Een bedrijf dat zich richt op energieopwekking met hernieuwbare energie loopt minder transitierisico’s dan een bedrijf dat zich richt op energieopwekking met fossiele brandstoffen. Het verplichte deel van de stresstest laat zien dat de negatieve impact voor PME kleiner is dan voor de standaard index. Het vrijwillige deel van de stresstest laat daarnaast zien dat wanneer onderscheid gemaakt wordt tussen nutsbedrijven die zich in meer en mindere mate richten op fossiele brandstoffen, de negatieve impact op de beleggingen in onze portefeuille kleiner wordt. Deze uitkomsten sluiten aan bij wat men zou verwachten gegeven de door PME genomen maatregelen om bij te dragen aan het beperken van klimaatverandering,

PME onderzoekt de mogelijkheid om jaarlijks een inschatting te maken van de mogelijke impact van klimaatrisico’s op portefeuilleniveau.

Daarnaast brengt PME ieder jaar aan de hand van de data van MSCI de mogelijke positieve en negatieve impact op de aandelen- en bedrijfsobligatieportefeuilles als gevolg van klimaat­gerelateerde risico’s en kansen in kaart. Hierna worden de resultaten van deze analyse getoond1.

Klimaatrisico’s en kansen op basis van MSCI-data

PME brengt ieder jaar aan de hand van de data van MSCI de mogelijke positieve en negatieve impact op de aandelen- en bedrijfsobligatie­portefeuilles als gevolg van klimaatgerelateerde risico’s en kansen in kaart. Hierna worden de resultaten van deze analyse getoond.

Transitierisico’s

Voor de berekening van transitierisico’s, worden drie scenario’s gebruikt: een waarbij de wereldwijde opwarming beperkt blijft tot 1,5 graden, een 2 graden en een 3 graden scenario. Voor elk van deze scenario’s wordt vervolgens gekeken naar transitierisico’s als gevolg van directe uitstoot van broeikasgassen (Scope 1), elektriciteitsverbruik (Scope 2) en emissies in de waarde­keten (Scope 3).

Scope 1:

In alle drie de scenario’s is het noodzakelijk dat landen beleidsmaatregelen implementeren om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. MSCI beoordeelt op basis van het land waar een bedrijf produceert en de genoemde beleidsmaatregelen wat dit betekent voor de maximale broeikasgasuitstoot van dat specifieke bedrijf. Vervolgens schat MSCI de potentiële kosten in die het bedrijf moet maken om binnen de vastgestelde maximale broeikasgasuitstoot te blijven. In een scenario van 1,5 graden zal het beleid van een land strenger zijn dan in een scenario van 3 graden. Daarom zal de overgang naar een 1,5 graden scenario de hoogste kosten voor een bedrijf met zich meebrengen.

Scope 2:

Energiebedrijven moeten fossiele brandstof­centrales uitfaseren en in plaats daarvan kiezen voor schone energiebronnen. Dit betekent dat elektriciteitsbedrijven kosten moeten maken om oude centrales te sluiten, nieuwe technologieën aan te schaffen en het elektriciteitsnetwerk bij te werken. Elektriciteitsbedrijven zullen een deel van deze kosten doorberekenen aan de eind­gebruiker via een kostenverhoging. Dit resulteert in extra kosten voor bedrijven.

Scope 3:

Bedrijven kunnen extra kosten ervaren als gevolg van uitstoot in hun waardeketen. Dit komt doordat leveranciers mogelijk hogere kosten hebben als gevolg van de overgang naar koolstofarme praktijken, wat ze vervolgens aan het bedrijf kunnen doorberekenen. Bovendien bestaat het risico dat het bedrijf marktaandeel en inkomsten verliest als de vraag naar de aangeboden diensten of producten verandert. Deze veranderingen kunnen bijvoorbeeld optreden als gevolg van een grotere vraag naar milieuvrien­delijke producten, zoals producten met een lage koolstofuitstoot of nul emissie.

Tot slot wordt berekend welke impact boven­genoemde kosten hebben op de marktwaardering van het bedrijf. Een belangrijke aanname van MSCI is dat er sprake is van een ordentelijke en geleidelijke transitie. Op het moment dat de transitie, als gevolg van bijvoorbeeld snelle materialisatie van fysieke risico’s of politieke of publieke onrust, gepaard gaat met stress, kunnen de transitiekosten vele malen hoger zijn.

Scenario
Risico van strengere beleidsmaatregelen op de ­portefeuille
3e scenario
Laag risico met standaard beleidsmaatregelen
2e scenario
Gemiddeld risico met matige beleidsmaatregelen
1,5e scenario
Hoog risico met vergaande beleidsmaatregelen

Naast het inschatten van mogelijke kosten als gevolg van klimaatrisico’s, beoordeelt MSCI ook hoe klimaat gerelateerde kansen van invloed zijn op de waardering van bedrijven in verschillende klimaatscenario’s. Dit gebeurt door te kijken naar de waarde van patenten in het bezit van bedrijven die verband houden met groene technologieën en door op basis van deze informatie een schatting te maken van de toekomstige inkomsten die zij verwachten te genereren uit de ontwikkeling en verkoop van technologieën met een lage CO₂-uitstoot.

Zowel voor de transitierisico’s als de fysieke ­risico’s hebben we dit jaar een correctie aangebracht in de cijfers van 2022 en 2021 voor deze risico analyse. Hierdoor verschillen de onderstaande uitkomsten van de cijfers die in eerdere jaarverslagen zijn gerapporteerd, de correct geschatte risico’s blijken lager voor 2022 en 2021 dan eerder gerapporteerd. Door een technische fout is voorheen in de analyses van 2021 en 2022 gerekend met afwijkende gewichten van de aandelen en obligaties in de portefeuille. De correctie van de cijfers is gebaseerd op het MSCI-model van 2023, gezien het niet mogelijk is om met terugwerkende kracht de MSCI-data ultimo 2022 en 2021 toe te passen. Een deel van de zichtbare verschillen wordt verklaard door de toename van databeschikbaarheid en methodologische veranderingen. De uitkomsten van de analysezijn op dit moment nog geen directe sturingsinformatie binnen de beleggingsportefeuille van PME. Om deze reden classificeert PME deze correctie niet als materieel. Wel zijn er maatregelen genomen om de juistheid van de gerapporteerde data beter te waar­borgen.

Uit de analyse blijkt dat klimaatgerelateerde financiële transitierisico’s dalen in alle scenario’s voor zowel de aandelen portefeuilles als de bedrijfsobligatie portefeuille. De tabel geeft de resultaten van de scenario analyse voor transitierisico’s per beleggingscategorie. De geschatte risico’s en de geschatte kansen kunnen tegen elkaar worden afgewogen om tot de netto impact op de portefeuille te komen. De getallen laten zien wat de impact op de waardering van de beleggingen zou zijn, ervan uitgaande dat deze nu nog niet door de markt wordt ingeprijsd.

Tabel: Inschatting transitierisico’s op basis van MSCI Climate Value at Risk data
   
Geschatte impact risico’s op AUM
per eind 2023
Geschatte impact risico’s op benchmark per eind 2023
Geschatte impact risico’s op AUM
per eind 2022
Geschatte impact risico’s op AUM
per eind 2021
3 graden scenario
Aandelen ­ontwikkeld
-0.4%
-0.8%
-0.6%
-0.6%
 
Aandelen ­op­­komende landen
-1.0%
-3.3%
-1.4%
-1.5%
 
Bedrijfsobligaties
0%
0%
0%
0%
2 graden scenario
Aandelen ­ontwikkeld
-3.7%
-7.1%
-4.9%
-4.9%
 
Aandelen ­op­­komende landen
-6.4%
-15.8%
-7.5%
-8.0%
 
Bedrijfsobligaties
-1.2%
-1.5%
-1.3%
-0.6%
1,5 graden scenario
Aandelen ­ontwikkeld
-8.0%
-14.7%
-10.1%
-9.8%
 
Aandelen ­op­­komende landen
-12.8%
-26.9%
-14.7%
-15.6%
 
Bedrijfsobligaties
-2.3%
-3.4%
-2.9%
-1.6%
Tabel: Inschatting kansen a.g.v. energietransitie op basis van MSCI Climate Value at Risk data
   
Geschatte impact kansen op AUM
per eind 2023
Geschatte impact kansen op benchmark per eind 2023
Geschatte impact kansen op AUM
per eind 2022
Geschatte impact kansen op AUM
per eind 2021
3 graden scenario
Aandelen ­ontwikkeld
0.2%
0.3%
0.3%
0.3%
 
Aandelen ­opkomende landen
0.2%
0.4%
0.2%
0.3%
 
Bedrijfsobligaties
0%
0%
0%
0%
2 graden scenario
Aandelen ­ontwikkeld
1.9%
2.9%
2.2%
2.1%
 
Aandelen ­opkomende landen
2%
3.2%
2.0%
2.4%
 
Bedrijfsobligaties
0.1%
0.1%
0%
0%
1,5 graden scenario
Aandelen ­ontwikkeld
3.6%
6.0%
4.3%
4.1%
 
Aandelen ­opkomende landen
3.5%
5.4%
3.9%
4.6%
 
Bedrijfsobligaties
0.1%
0.1%
0.1%
0%

De portefeuille-brede effecten laten niet zien dat er significante sectorale verschillen zijn. Vooral de sectoren energie, nutsvoorzieningen, materialen en transport kennen hoge transitierisico’s binnen de portefeuille van PME. Ook zijn er significante uitschieters op bedrijfsniveau in zowel positieve als negatieve zin. PME heeft aandacht voor zowel de risico’s die deze sectoren meebrengen als de kansen die in deze sectoren ­ontstaan.

De analyse laat zien dat transitierisico’s vooral hoog zijn in een 1,5 graden scenario, en dat in het bijzonder de beleggingen in opkomende ­landen aandelen mogelijk geraakt kunnen ­worden door maatregelen die gericht zijn op een versnelling van de energietransitie. De mogelijke impact op de beleggingen van PME wordt lager ingeschat dan de mogelijke impact op de benchmark. Dit is een gevolg van de screenings die toegepast worden op de beleggingsportefeuilles, die tot gevolg hebben dat er in ­vergelijking met de benchmark minder geïn­vesteerd wordt in sectoren die gevoelig zijn voor transitierisico’s.

Uit verdere analyse blijkt dat vooral de sectoren nutsvoorzieningen, materialen en transport bijdragen aan de transitierisico’s. De maatregelen die PME neemt om transitierisico’s te beperken en bij te dragen aan de energietransitie zijn ook in het bijzonder op deze sectoren gericht.

In vergelijking met 2022 is er een daling in het geschatte transitierisico. Uit verdere analyse blijkt dat door veranderingen in de methodologie van MSCI de risico’s in vergelijking tot vorig jaar hoger zouden uitvallen als er niets veranderd was aan de portefeuille. Echter, door allocatiewijzigingen binnen de aandelenportefeuilles het afgelopen jaar is er juist een daling in het transitierisico. Wanneer het huidige model wordt toegepast op de aandelenportefeuilles van 2022, zijn de risicoschattingen voor alle scenario’s hoger dan voor de portefeuilles van 2023.

In vergelijking met de benchmark heeft de portefeuille van PME lagere transitierisico’s. De voornaamste reden voor dit verschil is dat PME niet belegt in de hoge transitierisico sector aardolie raffinage.

Binnen de bedrijfsobligatieportefeuilles zijn de risico’s zowel absoluut als relatief beperkt. Dit komt omdat obligaties een beperkte looptijd hebben en omdat obligatiehouders als eerste recht op terugbetaling hebben als er financiële problemen zijn bij een bedrijf. De impact op obligaties is licht gedaald ten opzichte van vorig jaar. Met name in het 1,5-graden scenario’s is het geschatte risico’s gedaald. De methodologie veranderingen van MSCI hebben weinig tot geen effect gehad op de bedrijfsobligatieportefeuille. Het verschil wordt verklaard door een afname van de directe CO₂-uitstoot (scope 1) binnen de portefeuille in vergelijking tot vorig jaar.

Klimaatverandering en de benodigde transitie kan ook kansen met zich meebrengen, zoals technologische innovatie, waardoor risico’s kunnen worden gemitigeerd. Voor bedrijfsobligaties zijn de kansen niet meegenomen gezien de geringe kansen die zich naar verwachting binnen deze beleggingscategorie zullen voordoen. In vergelijking met het voorgaande jaar zijn de geschatte kansen voor de aandelenportefeuilles in alle scenario’s gedaald. De technologische kansen zijn ook lager dan die van de benchmark, de voornaamste reden hiervan is het verschil in allocatie in de sector Technologie hardware & systemen. Bedrijven in deze sector hebben veel patenten die gerelateerd zijn aan groene technologieën en innovaties die bijdragen aan een verminderde CO₂-uitstoot. De geschatte transitierisico’s en de geschatte kansen kunnen in theorie tegen elkaar worden afgewogen om de netto impact op de portefeuille in te schatten.

De analyse laat zien dat de impact van transitierisico’s fors kan zijn, en bedrijven die wel inspelen op nieuwe omstandigheden hiervan juist kunnen profiteren. PME neemt daarom in verschillende beleggingscategorieën acties die bedrijven stimuleren om bij te dragen aan de energietransitie en het behalen van de doelstellingen van het Parijsakkoord, ­verderop in deze rapportage beschreven.

Fysieke klimaatrisico’s

Voor de inschatting van fysieke klimaatrisico’s wordt gebruik gemaakt van een model van MSCI.

Net als bij transitie risico’s maakt MSCI ook hier berekeningen voor verschillende scenario’s. In de rapportage is ervoor gekozen om alleen te kijken naar het scenario waarin het huidige beleid wordt voortgezet. Reden hiervoor is dat fysieke risico’s bij scenario’s met een zeer beperkte opwarming beperkt zijn, en Scenario’s met een hogere opwar­ming dan wat in het huidige beleid verwacht mag worden weinig realistisch en zeer onzeker zijn.

Voor het berekenen van de hoogte van de fysieke klimaatrisico’s worden de volgende stappen doorlopen:

  • Per bedrijf wordt een inschatting gemaakt van de waarde van assets en inkomstenstromen op een bepaalde locatie. Dit betekent dat als een bedrijf activa of inkomsten heeft in verschillende geografische gebieden, elk van deze gebieden afzonderlijk wordt beoordeeld op potentiële fysieke klimaatrisico’s;
  • De verwachte verandering in chronische en acute (weers-)omstandigheden op de verschillende locaties wordt ingeschat, waar mogelijk met behulp van wetenschappelijke modellen; waar dat niet mogelijk is wordt een inschatting gemaakt op basis van historische trends. De chronische risico’s die worden doorgerekend zijn extreme hitte, extreme kou, zware neerslag, sterke sneeuwval en zware wind. De acute klimaatrisico’s die worden doorgerekend zijn tropische cyclonen, overstromingen langs kusten, overstromingen van rivieren, lagere waterstand in rivieren en bosbranden;
  • Er wordt een inschatting gemaakt van de extra kosten of opbrengsten als gevolg van de veranderende weersomstandigheden per jaar. De kosten worden verdeeld in twee categorieën: die veroorzaakt door verlies aan bezittingen (asset damage) en die ontstaan door onder­brekingen in de bedrijfsvoering (business interruptions). Bij opbrengsten kan gedacht worden aan positieve effecten, zoals transportbedrijven die profiteren van minder sneeuwval.
  • De verwachte extra kosten tussen nu en het jaar 2100 worden omgerekend naar een huidige waarde. Er worden twee varianten doorgerekend van een scenario waarin, zoals eerder aangegeven, het huidige beleid wordt voortgezet: een average variant waarin wordt uitgegaan van de gemiddelde impactschattingen en een aggressive variant waarin wordt uitgegaan van een zeer pessimistische impactschatting. Deze data geven slechts een eerste inschatting van de fysieke klimaatrisico’s. De aannames die gemaakt zijn in de berekeningen gaan gepaard met grote onzeker­heden.

Uit de onderstaande tabel tabel blijkt dat de verschillende beleggingen naar schatting fors geraakt kunnen worden door fysieke klimaatrisico’s. Uit verdere analyse van de data blijkt dat vooral de verwachte toename in extreme hitte en over­stromingen potentieel een significante negatieve invloed op de beleggingen heeft. Voor de beleggingen in de bedrijfsobligatieportefeuille is deze impact relatief beperkt, vanwege de korte looptijd van deze beleggingen. De fysieke risico’s zijn in 2023 ten opzichte van 2022 afgenomen door de lagere weging in Amerikaanse bedrijven met relatief hoge fysieke risico’s. Het verschil in fysiek risico tussen de portefeuille en de benchmark wordt door hetzelfde effect verklaard.

Tabel: Inschatting fysieke risico’s per scenario en beleggingscategorie
   
Geschatte impact risico’s op AUM
per eind 2023
Geschatte impact risico’s op benchmark per eind 2023
Geschatte impact risico’s op AUM
per eind 2022
Geschatte impact risico’s op AUM
per eind 2021
Average
Aandelen ­ontwikkeld
-5.5%
-7.9%
-7.0%
-6.7%
 
Aandelen op­­komende landen
-18.7%
-23.4%
-21.3%
-21.4%
 
Bedrijfsobligaties
-0.3%
-0.6%
-0.4%
-0.3%
Aggresive
Aandelen ­ontwikkeld
-6.8%
-9.8%
-8.6%
-8.3%
 
Aandelen op­­komende landen
-22.7%
-28.2%
-26.1%
-26.2%
 
Bedrijfsobligaties
-0.5%
-0.9%
-0.6%
-0.5%

De kwaliteit van data voor het meten van fysieke risico’s is nog dermate beperkt, dat PME het nog niet als wenselijk ziet om hier actief op te sturen in de aandelen en obligatieportefeuilles. In ­voorgaande jaren is de Nederlandse woning­portefeuille geanalyseerd op fysieke risico’s. De eerste uitkomsten daarvan toonden een lage blootstelling naar fysieke klimaatrisico’s. De mogelijk grote impact van fysieke risico’s is een extra reden om in te zetten op het leveren van een ­bijdrage aan de reductie van wereldwijde CO₂-uitstoot.

De uitkomsten van deze analyses geven geen directe aanleiding tot bijsturing van de portefeuilles. De maatregelen die genomen worden om klimaatrisico’s te beheersen worden hierna en in het klimaatplan van PME beschreven.

Integraal risicomanagement

 

Identificatie en beoordeling klimaatgerelateerde risico’s

Klimaatrisico’s worden geïdentificeerd via verschillende reguliere processen in de investeringsketen. Uitvoeringsorganisatie MN doet ­kennis op door onder andere het bezoeken van conferenties die relateren aan klimaatrisico’s, het deelnemen in panels over klimaatrisico’s, het lidmaatschap van diverse expert-organisaties zoals de IIGCC en de PRI en met het onderhouden van contact met peers. De op deze manier verkregen inzichten worden als input gebruikt bij de herziening van beleggingscategorieën. Klimaatrisico’s worden op deze manier integraal meegenomen. Daarnaast heeft PME intern een aantal processen ingericht met als doel om beter inzicht te krijgen in klimaatrisico’s. Klimaatrisico’s zijn onderdeel van de ERB, en er wordt periodiek een RSA ESG uitgevoerd, waar het klimaat een belangrijk onderdeel van is. De RSA heeft als doel alle ’ESG gerelateerde risico’s, waaronder klimaatrisico’s, van PME in kaart te brengen en waar nodig te voorzien van beheersmaatregelen.

Beheersing van klimaatrisico’s

Klimaatrisico’s worden hoofdzakelijk beheerst door in de verschillende beleggingscategorieën acties te nemen waarmee bedrijven, vastgoed­objecten, projecten en overheden gestimuleerd worden om hun beleid in lijn met de doelstellingen van het Parijsakkoord te brengen. Daarmee wordt niet alleen bijgedragen aan een leefbare wereld, maar ook de kans gereduceerd dat de beleggingen geraakt worden door transitie­risico’s.

Op de lange termijn is ons doel duidelijk: in 2050 heeft onze beleggingsportefeuille netto-nul CO₂-uitstoot. We werken daarnaartoe op een manier die past bij het pad naar maximaal 1,5 graden opwarming. Als ondertekenaar van het Klimaatcommitment van de Financiële ­Sector heeft PME in 2022 klimaatplannen opgesteld voor de beleggingscategorieën:

  • Beursgenoteerde aandelen
  • Bedrijfsobligaties
  • Vastgoed
  • Infrastructuur
  • Private Equity

In deze actieplannen is vastgelegd hoe PME via de beleggingen wil bijdragen aan de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs. In 2023 zijn er ook plannen opgesteld voor de beleggingscategorieën hypotheken, staatobligaties en bosbouw. Vanaf volgend jaar zal in de klimaatrapportage ook gerapporteerd worden over de voortgang op de acties in deze klimaatplannen.

In deze rapportage rapporteren we over de voortgang op de acties die beschreven worden in de klimaatplannen aan de hand van de doelstellingen, relevante maatstaven, genomen maat­regelen en resultaten per beleggingscategorie. In de klimaatplannen zijn de doelstellingen en maatregelen in meer detail uitgewerkt per beleggingscategorie.

Doelstellingen, maatregelen en resultaten

Totale portefeuille

Doelstellingen en maatstaven

PME wil uiterlijk per 2050 een portefeuille met netto nul uitstoot. Uitgangspunt hierbij is dat dit bereikt wordt op een wijze die past bij een 1,5 graden pad. Voor 2030 is de doelstelling om de absolute CO₂-uitstoot te reduceren met 50%. Deze doelstelling is van toepassing op de aandelen- en bedrijfsobligatieportefeuilles. De voortgang op deze reductiedoelstelling wordt gemeten op basis van de scope 1 en 2 uitstoot van de beursgenoteerde aandelen- en bedrijfsobligatieportefeuille.

Scope 3-uitstoot

De referentiedoelstelling is op dit moment (nog) niet van toepassing op de scope 3 uitstoot. Wanneer de datakwaliteit van de scope 3 data toeneemt en er meer beleggingscategorieën over de scope 3 uitstoot rapporteren, kan de reikwijdte van deze doelstelling uitgebreid ­worden. We houden op de volgende manieren rekening met de scope 3 uitstoot in ons klimaatbeleid:

  • We nemen de scope 3 uitstoot voor een aantal sectoren mee in de sectordoelstelling. Dit geldt voor autoproducenten en voor luchtvaartmaatschappijen als zij de vliegtuigen niet zelf in bezit hebben.
  • We maken gebruik van selectiecriteria waarin daar waar relevant ook de scope 3 uitstoot wordt meegewogen.

Voor alle bedrijven waarop we engagement ­voeren wegen we in de beoordeling mee of zij rapporteren over de scope 3 uitstoot. Ook wordt voor de meeste sectoren meegewogen of er doelstellingen gezet zijn op reductie van de scope 3 uitstoot. Voor cementbedrijven die een relatief groot deel van hun grondstoffen (clinker) inkopen geldt dat de performance en doelstellingen op de scope 3 uitstoot een belangrijk onderwerp zijn in het engagementtraject.

Resultaten

Voor de aandelen- en bedrijfsobligatie­portefeuilles kunnen we de voortgang op deze ­doel­stellingen aggregeren. Eind 2023 was de absolute CO₂-uitstoot van de aandelen- en obligatieportefeuille 54,9% lager dan eind 2019. Dit is meer dan de reductiedoelstelling van 50%. De absolute uitstoot van de aandelen- en bedrijfsobligatieportefeuille is 11,6% lager dan vorig jaar.

Tabel: De absolute CO₂-uitstoot van de aandelen- en obligatieportefeuille berekend o.b.v. EVIC (data: ISS)
 
31-12-2019
31-12-2020
31-12-2021
31-12-2022
31-12-2023
Waarde beleggingen (x € 1 miljoen)
28.716
31.289
34.472
22.244
24.712
tCO₂e-uitstoot
2.375.069
2.506.055
2.012.013
1.212.178
1.071.073
Vermindering CO₂e-uitstoot
(% t.o.v. vorige meting)
-
5,5%
-19,7%
-39,8%
-11,6%
Vermindering CO₂e-uitstoot
(% t.o.v. basisjaar 2019)
-
5,5%
-15,3%
-49,0%
-54,9%
Benodigde reductie voor 2030
50,0%
52,6%
41,0%
2,0%
-

Omdat we er naar streven om de net zero doelstelling te behalen op een wijze die past bij een 1,5 graden scenario, proberen we ook in te schatten in welke mate de bedrijven in de por­tefeuille op koers liggen voor een 1,5 graden pad. Dit doen we met behulp van data van het Transition Pathway initiative (TPI) en data van het Science Based Targets initiative (SBTi). TPI heeft slechts voor een deel van de portefeuille data beschikbaar. Om een meer volledig beeld te krijgen van de mate van alignment van bedrijven in de totale portefeuille vullen we de data van TPI aan met informatie over Science Based Targets. Op basis hiervan ligt 20% van de bedrijven in onze aandelen- en bedrijfsobligatieportefeuilles op koers voor een 1,5 graden pad.

Tabel: Alignment beoordeling van bedrijven in sectoren met sectordoelstelling op basis van TPI en SBT data
TPI 2035 alignment aangevuld met SBT data
Aantal bedrijven
Percentage van de portefeuille
1,5 Degrees
438
20%
Below 2 Degrees
103
5%
2 Degrees
13
<1%
Pledges
20
<1%
Niet aligned
1.596
74%
Totale portefeuille
2.170
100%

Beursgenoteerde aandelen

Doelstellingen en maatstaven

In 2030 stoten onze beleggingen in aandelen 50 procent minder CO₂ uit dan in 2019. We kijken hierbij naar de absolute scope 1- en scope 2-uitstoot op basis van EVIC. Er wordt gebruik gemaakt van de volgende indicatoren om de ­klimaat performance van bedrijven te ­beoordelen:

  • De TPI carbon performance data. Deze worden gebruikt om de performance versus TPI-sectorpaden in te schatten.
  • De volgende klimaatindicatoren van MSCI ESG Research: Carbon Emissions, Product Carbon Footprint, Raw Materials and Sourcing, Water Stress, Biodiversity and Land use, en de MSCI Low Carbon Transition score. Deze data worden gebruikt voor de selectie van bedrijven.
  • Klimaatkenmerken van bedrijven, zoals het percentage behaalde omzet uit energieopwekking met kolen. Ook deze data worden gebruikt voor de selectie van bedrijven (zie ook de SFDR Integratie van Duurzaamheids­risico’s).
Maatregelen
  • We voeren gesprekken met de grote CO₂-uit­stoters in onze aandelenportefeuille over de ­klimaatdoelstellingen en concrete acties die de bedrijven nemen.
  • We beleggen niet langer in bedrijven die zich richten op fossiele olie en gasproductie .
  • We steunen klimaatresoluties waar passend.
  • We beleggen niet meer in bedrijven die in het algemeen slecht scoren op het gebied van milieu, maatschappij en goed bestuur en niet in bedrijven die slecht scoren op een aantal ­specifieke klimaatcriteria (zie ook de SFDR ­Integratie van Duurzaamheidsrisico’s).

In 2023 is voor PME een nieuwe beleggings­strategie vastgesteld voor beursgenoteerde aandelen, waarin o.a. de selectiecriteria ten aanzien van het onderwerp energietransitie zijn aan­gescherpt. In de nieuwe strategie is het aantal ­sectoren waarop een energietransitie screening wordt toegepast uitgebreid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen 14 carbon intensieve sectoren met een hoog klimaatrisico. Binnen deze sectoren wordt niet geïnvesteerd in de 20% slechtst scorende bedrijven. Deze screening heeft als doel om bedrijven met een beperkte veranderpotentie uit de portefeuille te verwijderen. Naast deze breed gespreide aan­de­lenstrategie is een meer geconcentreerde, actief beheerde aandelenstrategie vastgesteld in 2023. De hiervoor beschreven nieuwe ESG selectiecriteria vormen een startpunt voor het universum waaruit aandelen worden geselecteerd voor deze geconcentreerde aandelen­strategie. De doelstellingen uit het klimaatactieplan van PME worden als richtlijn meegegeven aan de beheerder.

Resultaten 

Op de doelstelling 50% reductie van de relatieve CO₂-uitstoot van de aandelenbeleggingen versus 2015

PME meet sinds 2015 de relatieve uitstoot van de aandelenportefeuille op basis van de marktkapitalisatie. De relatieve uitstoot wordt uitgedrukt als uitstoot-intensiteit in kilogram CO₂-equivalenten per 100 euro geïnvesteerd. PME heeft de doelstelling gesteld om per 2025 de relatieve uitstoot van de aandelenbeleggingen te reduceren met 50% ten opzichte van 2015. Dit doel is inmiddels ruimschoots gehaald. In vergelijking met eind 2022 heeft er een daling plaatsgevonden van de relatieve uitstoot van 25,4%, dit resulteert in een daling van 80,5% ten opzichte van het basisjaar eind 2014.

Tabel: Relatieve CO₂-uitstoot van de aandelenportefeuille (o.b.v. marktkapitalisatie)
 
31-12-2014
31-12-2015
31-12-2016
31-12-2017
31-12-2018
31-12-2019
Waarde aandelen
(x € 1 miljoen)
12.601
14.037
17.057
16.646
14.622
19.074
CO₂eq-uitstoot (in ton)
2.953.557
2.979.346
3.537.457
2.810.504
2.265.609
2.086.126
Uitstoot-intensiteit (kgCO₂eq/100EUR)
23,4
21,1
20,7
16,9
15,5
10,9
Vermindering uitstoot-intensiteit in % t.o.v. vorige meting
-
-9,4%
-2,3%
-18,6%
-8,2%
-29,4%
Vermindering uitstoot-intensiteit in % t.o.v. 31-12-2014
-
-9,4%
-11,5%
-28,0%
-33,9%
-53,3%
 
31-12-2020
31-12-2021
31-12-2022
31-12-2023
Waarde aandelen (x € 1 miljoen)
19.782
21.461
12.409
14.009
CO₂eq-uitstoot (in ton)
1.590.603
1.059.429
760.707
640.519
Uitstoot-intensiteit (kgCO₂eq/100EUR)
8,0
4,9
6,1
4,6
Vermindering uitstoot-intensiteit in % t.o.v. vorige meting
-26,5%
-38,6%
+24,2%
-25.4%
Vermindering uitstoot-intensiteit in % t.o.v. 31-12-2014
-65,7%
-78,9%
-73,8%
-80.5%

Op de doelstelling 50% reductie van de ­absolute CO₂-uitstoot versus 2019

PME wil voor 2030 de CO₂-uitstoot van de aandelen- en bedrijfsobligatieportefeuille met 50% reduceren ten opzichte van 2019. Eind 2023 was de absolute CO₂-uitstoot van de aandelenportefeuille 65,8% lager dan in 2019. Dit is meer dan als doel gestelde 50% reductie. Eind 2023 is de uitstoot 447.226 tCO₂eq.

De uitstoot van de aandelenportefeuille was eind 2023 8,4% lager dan eind 2022. Deze daling kan voor een groot deel verklaard worden door de gedaalde weging van de drie meest ­uitstoot-intensieve sectoren. Het totale gewicht van de Basic Materials, Industrial en Utilities sector is met 2,2% afgenomen van 20,8% naar 18,6%.

Tabel: Absolute CO2-uitstoot van de aandelenportefeuille (o.b.v. EVIC)
 
31-12-2019
31-12-2020
31-12-2021
31-12-2022
31-12-2023
Waarde aandelen (x € 1 miljoen)
19.074
19.782
21.461
12.409
14.009
CO₂eq-uitstoot (in ton)
1.309.412
1.056.962
739.354
448.313
447.226
Vermindering CO₂eq-uitstoot in % t.o.v. vorige meting
-
-19,30%
-30,00%
-34,00%
-8,4%
Vermindering CO₂eq-uitstoot in % t.o.v. basisjaar 2019
-
-19,30%
-43,50%
-62,70%
-65,8%
Benodigde reductie voor 2030
-50,00%
-38,10%
-11,40%
-
-

Op de doelstellingen per sector op basis van sectorspecifieke maatstaven

Eind 2020 heeft PME carbonreductiedoelstellingen op sectorniveau geformuleerd. Deze sectorreductiedoelstellingen gelden voor een aantal uitstoot-intensieve sectoren. Onderstaande tabel toont de dekking van de carbon intensiteit data die we gebruiken om de performance versus de sectordoelstellingen te meten. Op dit moment kunnen we voor 44 bedrijven in de sectoren waar we reductiedoelstellingen op geformuleerd hebben de uitstoot meten versus de reductiedoelstellingen. Deze bedrijven vertegenwoordigen tezamen ca. 32% van de uitstoot van de aandelenportefeuille. Vooral nutsbedrijven en cementproducenten zijn verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de scope 1 en 2 uitstoot van de aandelenportefeuille.

Tabel: Dekking van de carbon intensiteit data voor uitstoot-intensieve sectoren ­binnen de aandelenportefeuille
Sector (TPI Classificatie)
Aantal bedrijven in sector
Scope 1 & 2 uitstoot van bedrijven in sector
Aantal bedrijven in met data
Scope 1 & 2 uitstoot van bedrijven met data
Weging bedrijven met data
Luchtvaartmaatschappijen
1
0,3%
-
-
-
Aluminiumproducenten
6
1,1%
2
0,6%
0,0%
Autofabrikanten
17
0,8%
8
0,3%
1,5%
Cementproducenten
11
12,6%
7
11,5%
0,2%
Elektrische nutsbedrijven
48
16,7%
21
15,6%
1,5%
Staalproducenten
9
3,9%
6
3,8%
0,1%
Totaal
92
35,3%
44
31,7%
3,4%

In 2023 laten, zo ver we dit kunnen meten, ­aluminiumproducenten, cementproducenten en staalproducenten een daling zien van de ­(gemiddelde) uitstoot intensiteit. Bij de nuts­bedrijven en autoproducenten zien we een (lichte) verhoging van de carbon intensiteit.

In de meeste sectoren laten de data die we tot onze beschikking hebben zien dat er vanaf 2020 belangrijke stappen zijn gezet om de uitstoot in lijn te brengen met de 1,5 graden paden van de IEA. Nutsbedrijven hebben weliswaar een sterke verbetering laten zien, maar moeten nog grote stappen zetten om de forse uitstootreductie die in deze sector verwacht wordt waar te maken. Binnen de nutssector hebben veel bedrijven hier plannen voor; relatief veel bedrijven liggen op koers op basis van hun reductiedoelstellingen.

Tabel: Ontwikkeling van de gewogen gemiddelde sector specifieke uitstoot-intensiteit binnen de aandelen­portefeuille. Voor de voorafgaande jaren tonen we de data zoals gerapporteerd in het ­jaarverslag
Sector
(TPI Classificatie)
Meet­­-eenheid
31-12-
2020
31-12-
2021
31-12-
2022
31-12-
2023
Doelstelling 2030
Benodigde reductie
Luchtvaart-­maatschappijen
gCO₂/RTK
1.023,77
-
994,00
 
616,00
-
Aluminium­producenten
tCO₂e/t ­aluminium
9,15
7,66
9,13
4,84
4,73
-2%
Autofabrikanten
gCO₂/km (NEDC)
131,30
131,87
8,96
34,65
30,68
-11%
Cement­producenten
tCO₂/t cement­product
0,63
0,61
0,58
0,55
0,42
-24%
Elektrische ­nutsbedrijven
tCO₂e/MWh energie
0,38
0,30
0,27
0,29
0,14
-52%
Staalproducenten
tCO₂/t staal
1,95
2,04
1,40
1,23
1,13
-9%

Bedrijfsobligaties

Doelstellingen en maatstaven

In 2030 stoten onze beleggingen in bedrijfs­obligaties 50 procent minder CO₂ uit dan in 2019. We kijken hierbij naar de absolute scope 1- en scope 2-uitstoot op basis van EVIC.

Er wordt gebruik gemaakt van de volgende ­indicatoren om de klimaat performance van bedrijven te beoordelen:

  • De TPI carbon performance data. Deze worden gebruikt om de performance versus TPI-­sectorpaden in te schatten.
  • De volgende klimaatindicatoren van MSCI ESG Research: Carbon Emissions, Product Carbon Footprint, Raw Materials and Sourcing, Water Stress, Biodiversity and Land use. Deze data worden gebruikt voor de selectie van bedrijven.
  • Klimaatkenmerken van bedrijven, zoals het percentage behaalde omzet uit energie­opwekking met kolen. Ook deze data worden gebruikt voor de selectie van bedrijven.
Maatregelen
  • We selecteren vermogensbeheerders die zich inzetten voor CO₂-reductie en stimuleren hen waar nodig tot meer ambitie.
  • We beleggen niet meer in bedrijven die in het algemeen het slecht scoren op het gebied van milieu, maatschappij en goed bestuur en niet in bedrijven die slecht scoren op een aantal specifieke klimaatcriteria (zie ook de SFDR Integratie van Duurzaamheidsrisico’s).
Resultaten

Op de doelstelling van 50% reductie van de CO₂-uitstoot versus 2019

Binnen de bedrijfsobligatieportefeuille is een daling van de CO₂-uitstoot zichtbaar van 13,8% in 2023 ten opzichte van het jaar daarvoor. In vergelijking met ultimo 2019 stoot de portefeuille 41,5% minder uit. Per eind 2023 is 14.6% aanvullende carbonemissiereductie nodig om de 50% reductie versus 2019 doelstelling te bereiken. De belangrijkste oorzaak van de daling is het feit dat er minder belegd wordt in obligaties van de Duitse staalproducent Thyssenkrupp AG. Absoluut belegt PME 68,4% minder in deze obligaties.

 Tabel: De absolute CO₂-uitstoot van de aandelenportefeuille berekend o.b.v. EVIC (data: ISS)
 
31-12-2019
31-12-2020
31-12-2021
31-12-2022
31-12-2023
Waarde (x € 1 miljoen)
9.641
11.507
13.010
9.835
10.703
tCO₂e-uitstoot
1.065.657
1.449.092
1.272.659
723.865
623.847
Vermindering CO₂e-uitstoot
(% t.o.v. vorige meting)
-
+36,0%
-12,2%
-43,1%
-13,8%
Vermindering CO₂e-uitstoot
(% t.o.v. basisjaar 2019)
-
+36,0%
+19,4%
-32,1%
-41,5%
Benodigde reductie voor 2030
-50,0%
-63,2%
-58,1%
-26,4%
-14,6%

Op de doelstellingen per sector op basis van sectorspecifieke maatstaven

Ook voor de bedrijfsobligatieportefeuilles meten we voor zo ver mogelijk de prestaties van be­drijven versus de sectordoelstellingen. De tabel op de vorige pagina geeft een overzicht bij de dekking van de data. Hieruit blijkt dat de bedrijven waarvoor we de prestaties kunnen meten ca. 38% van de uitstoot van de portefeuille vertegenwoordigen. In het bijzonder de luchtvaartmaatschappijen en nutsbedrijven zijn verantwoordelijk voor een groot deel van deze uitstoot.

Tabel: Dekking van de carbon intensiteit data voor uitstoot-intensieve sectoren
Sector (TPI Classificatie)
Aantal bedrijven
in sector
Scope 1 & 2 uitstoot van bedrijven
in sector
Aantal bedrijven
met data
Scope 1 & 2 uitstoot van bedrijven
met data
Weging bedrijven
met data
Luchtvaartmaatschappijen
5
10,3%
4
10,1%
0,5%
Aluminiumproducenten
3
2,0%
0
-
-
Autofabrikanten
7
0,1%
3
0,1%
0,4%
Cementproducenten
11
2,9%
1
2,8%
0,0%
Elektrische nutsbedrijven
80
40,3%
23
19,7%
3,1%
Staalproducenten
9
6,3%
3
5,1%
0,2%
Totaal
115
62,0%
34
37,7%
4,2%
Tabel: Ontwikkeling van de gewogen gemiddelde sector specifieke uitstoot-intensiteit binnen
de bedrijfsobligatieportefeuille
Sector (TPI Classificatie)
Meeteenheid
31-12-2023
Doelstelling 2030
Benodigde reductie
Luchtvaartmaatschappijen
gCO₂/RTK
831,01
616,00
-25,9%
Aluminiumproducenten
tCO₂e/t aluminium
-
4,73
-
Autofabrikanten
gCO₂/km (NEDC)
126,60
30,68
-75,8%
Cementproducenten
tCO₂/t cementproduct
0,53
0,42
-21,3%
Elektrische nutsbedrijven
tCO₂e/MWh energie
0,22
0,14
-37,8%
Staalproducenten
tCO₂/t staal
1,09
1,13
3,8% 

Bovenstaand overzicht laat zien dat de vooral de autofabrikanten in deze portefeuille nog grote stappen moeten zetten om de 2030 doelstellingen te bereiken. De staalbedrijven daarentegen hebben dit niveau al bereikt.

Vastgoed

Doelstellingen en maatstaven

We streven er naar om ruim voor 2030 alle ­vastgoedbeleggingen in lijn te brengen met de afspraken van Parijs om de opwarming van de aarde tot 1,5 graad te beperken. Om te beoor­delen of we daarvoor op koers liggen wordt gebruik gemaakt van de methodiek die ontwikkeld is door CRREM (Carbon Risk Real Estate Monitor), een door de Europese Unie gefinancierde onderzoeksproject. Op basis hiervan is onze inschatting dat de uitstoot per vierkante meter vastgoed in 2030 40 procent lager moet zijn dan in 2020. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van o.a. de CO₂-voetafdruk data die we ontvangen vanuit GRESB, en informatie over de energielabels.

Maatregelen
  • We selecteren vastgoedbeheerders die zich inzetten voor CO₂-reductie en stimuleren hen waar nodig tot meer ambitie.
  • Samen met onze vastgoedbeheerder stimuleren en creëren we de ontwikkeling van ­houtbouwprojecten, oftewel crosslaminated timber (CLT).
  • We investeren in renovatie, installatie van zonnepanelen en vervanging van bestaande warmtesystemen.

Onze vastgoedbeheerders hebben stappen genomen om het inzicht in de kosten en opbrengsten van renovaties te vergroten. Waar mogelijk zetten we ons in om bouw­materialen te vervangen met minder CO₂-­intensieve alternatieven. Een voorbeeld hiervan is project Roosendaal waarbij een voormalig V&D gebouw getransformeerd wordt naar levensloopbestendige woningen middels houtbouw. In 2023 is de uitontwikkeling van het plan in samenwerking met de bouwer en alle adviseurs van start gegaan.

Resultaten

Op de ambitie van een minimale GRESB-score van drie sterren

Beheerders van de vastgoedportefeuilles ­moeten minimaal drie van de vijf sterren van het vergelijkende duurzaamheidskeurmerk GRESB1 hebben. Als we in zee gaan met een vastgoedbelegger, moet binnen twee jaar de stap gemaakt worden naar vier sterren. Het streven is vijf sterren.

De GRESB informatie is gepubliceerd medio 2023 en betreft data over 2022. In deze rapportage is deze informatie derhalve gekoppeld aan portefeuilleposities ultimo 2022.

Tabel: GRESB participatie en rating (0-5) vastgoedportefeuilles
GRESB
participatie & rating
Participatie
(31-12-2021)
Rating
(31-12-2021)
Participatie
(31-12-2022)
Rating
(31-12-2022)
OGNL
100,0%
4,9
100,0%
5,0
IOG Europa
98,3%
4,7
95,1%
4,5
IOG VS
51,0%
1,5
92,8%
3,5
Totale portefeuille, gemiddeld
98,6%
4,8
97,6%
4,7
1 GRESB (Global Real Estate Sustinability Benchmark) is een onafhankelijke benchmark die vastgoedfondsen
en -portefeuilles wereldwijd beoordeelt en vergelijkt op hun duurzaamheidsprestaties.

 

Op de doelstelling van een 40% lagere ­uitstoot per m2 dan in 2020 (t.o.v. de 2020 CRREM-paden)

Onderstaande tabel toont onze huidige gemeten uitstoot voor vastgoed in 2021 en 2022, op basis van de data van GRESB. De uitstoot per m2 is op basis van deze data tussen 2021 en 2022 met 11% afgenomen.

Tabel: Ontwikkeling van de CO₂-uitstoot van de vastgoedportefeuille
 
31-12-2021
31-12-2022
Waarde vastgoed (x € 1 miljoen)
2.468,76
3.322,32
tCO₂e(o.b.v. GAV)
18.182
18.661
kgCO₂e/m2
24,38
21,59
kgCO₂e/100 EUR geïnvesteerd (o.b.v. GAV)
0,748
0,700
Datadekking totale CO₂e-uitstoot
91,1%
90,8%
Vermindering CO₂e/m2 (% t.o.v. vorige meting)
-
-11,4%

De CO₂-uitstoot per m2 is vooral in de Nederlandse woningportefeuille afgenomen. Ook in de Europese portefeuille is de uitstoot per m2 gedaald, dit is mede het gevolg van een verandering van portefeuillesamenstelling naar ­fondsen met een lagere uitstoot per m2.

Naast de CO₂-uitstoot data tonen we tevens ter informatie ook de portefeuilleverdeling op basis van energie labels voor het Nederlandse en Europees vastgoed (zie onderstaande tabel). Energielabels vormen, naast CO₂-­uitstoot intensiteit per m2, ook een indicatie van energie-efficiëntie. In de vastgoedportefeuille sturen we niet direct op energielabels. Om de portefeuille in lijn te brengen met een 1,5 graden-scenario zetten we met name in op duurzame renovatie (bijvoorbeeld isolatie) en zo veel mogelijk op energie neutrale nieuwbouw. De afgelopen jaren is de verdeling van ­energielabels verbeterd.

Verdeling NAV o.b.v. energielabels – Nederlandse portefeuille
2021
2022
2023
A++++
2,04%
1,68%
2,13%
A+++
0,00%
4,05%
11,79%
A++
0,00%
5,07%
7,83%
A+
6,84%
15,43%
15,50%
A
40,26%
28,03%
32,90%
B
18,07%
14,14%
9,82%
C
27,02%
24,91%
16,34%
D
1,60%
2,15%
1,79%
E
0,00%
0,32%
0,00%
F
4,16%
3,44%
0,00%
G
0,00%
0,71%
1,79%
Geen label
0,00%
0,00%
0,11%
AuM Totaal (miljoen EUR)
1.396
1.865
1.839
A++++ t/m A
49,14%
54,27%
70,15%
A++++ t/m C
94,23%
93,32%
96,31%
Overig
5,77%
6,61%
3,69%

Op de doelstelling dat de beleggingen ruim voor 2030 in lijn gebracht zijn met de 1,5 graden CRREM-paden

De tabel hieronder toont de performance van de vastgoed beleggingen versus de CRREM-paden. De performance versus de CRREM-paden is ­verslechterd als gevolg van een update van de CRREM-paden (de gemiddelde intensiteitscijfers zijn voor de komende jaren lager geworden doordat de wereld te traag decarboniseert en derhalve minder ‘carbon budget’ resteert.

 
2021
2022
Gemiddeld CRREM stranding year
2028
2023
% investeringen aligned o.b.v. CRREM pad 2025
88,5%
22,6%
% investeringen aligned o.b.v. CRREM pad 2030
25,0%
2,1%
% investeringen aligned o.b.v. CRREM pad 2040
9.7%
0%
Gemiddeld CRREM stranding year
2028
2023

Infrastructuur

Doelstellingen en maatstaven

In 2025 hebben we ongeveer 1,2 miljard euro ‒ die vrijkwam door de verkoop van beleggingen in producenten van olie en gas ‒ opnieuw belegd in investeringen met een positieve impact op de transitie naar duurzame energie.

De impact die met deze beleggingen gemaakt wordt schatten we in op basis van data over de vermeden CO₂-uitstoot. Daarnaast willen we uiterlijk in 2040 alle infrastructuur beleggingen in lijn brengen met het 1,5 graden pad van het Parijs Akkoord.

Maatregelen
  • We selecteren voor onze beleggingen in infrastructuur vermogensbeheerders die zich inzetten voor CO₂-reductie.
  • We investeren in projecten met een meetbaar positieve impact op de energietransitie en een passend financieel rendement.
  • We doen geen nieuwe investeringen in kolen- en oliegerelateerde projecten in infrastructuur
Resultaten

Per 31 december 2023 is er circa € 950 miljoen van deze € 1,2 miljard euro gecommitteerd aan hernieuwbare energieprojecten in de infra debt en infra equity portefeuilles. Eind 2023 heeft PME in totaal € 719 miljoen belegd binnen het thema Energietransitie via infra debt en equity.

Op basis van de huidige data is het nog niet mogelijk om een goede inschatting te maken van de mate van alignment van onze infrastructuur beleggingen met het 1,5 graden pad. We onderzoeken hoe we deze beleggingscategorie beter kunnen meten en sturen.

Private equity

Doelstellingen en maatstaven

Uiterlijk in 2040 zijn alle private equity-beleggingen in lijn met de afspraken van Parijs om de opwarming van de aarde tot 1,5 graad te beperken.

We streven er naar om ook voor private equity beleggingen inzicht te krijgen in de CO₂-uitstoot.

Maatregelen
  • We selecteren vermogensbeheerders die zich inzetten voor CO₂-reductie en stimuleren hen waar nodig tot meer ambitie.
  • Vanaf 2022 probeert PME minstens € 150 miljoen per jaar in nieuwe private equity beleggingen te steken in bedrijven met een positieve maatschappelijke impact.
Resultaten

Op de doelstelling om alle beleggingen in lijn met het Parijsakkoord per 2040 te brengen

Op basis van de huidige data is het nog niet mogelijk om een goede inschatting te maken van de mate van alignement van onze private equity beleggingen. We onderzoeken hoe we deze beleggingscategorie beter kunnen meten en ­sturen.

Wel monitoren we periodiek de fondsbeheerders voor private equity op het gebied van ESG performance, en gaan we met beheerders in gesprek wanneer deze performance te laag is. Klimaat maakt een belangrijk onderdeel uit van deze monitoring.

Hypotheken, staatsobligaties en bosbouw

In 2023 zijn er ook plannen opgesteld voor de beleggingscategorieën hypotheken, staatobligaties en bosbouw. Vanaf volgend jaar zal in de klimaatrapportage ook gerapporteerd worden over de voortgang op de acties in deze klimaatplannen.

Daarnaast worden fysieke klimaatrisico’s beheerst via het landenbeleid van PME, door niet te investeren in obligaties of staatbedrijven van landen die onvoldoende beoordeeld worden op een klimaatrisico score (de ND Gain index) en wordt beheerders van vastgoedportefeuilles gevraagd fysieke klimaatrisico’s mee te wegen in de investeringsbeslissingen.

Organisatie van het risicomanagement

Risicobeheersing is een integraal onderdeel van de bedrijfsvoering van pensioenfondsen en uitvoerders en is gestoeld op het 3LoD-model. De primaire verantwoordelijkheid voor de beheersing van risico’s ligt binnen het pensioenfonds bij de uitvoerend bestuurder balans- en vermogensbeheer en zijn team. De risicomanagers van het fonds vormen samen de tweede lijn. Het niet uitvoerend bestuur, ondersteund door de audit, risk & compliance commissie vormt de derde lijn.

Binnen de uitvoerder MN ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de beheersing van de risico’s bij de verantwoordelijke risiconemers zoals portfoliomanagers (1e lijn). De afdeling Risk Management & Compliance vormt de tweede lijn en stelt mede de kaders en richtlijnen op waarbinnen de risico’s beheerst moeten zijn. Controle op naleving van de beheersing en het uitvoeren van onafhankelijke monitoring van de risico’s vormen eveneens onderdeel van de taken van de afdeling Risk Management & Compliance. Vanuit de afdeling Audit (derde lijn) wordt controle op beide beheersingslijnen gehouden.

Arrow-prev Arrow-next